Home      Niet meer leverbaar      Snoepvrouwtje
 

 

Titel: Snoepvrouwtje
Auteur: Paul Weelen
Vertelling, vertaald uit het Kerkraads
ISBN: 90-76043-44-2
Prijs: € 12,50
 

Fragment:
De morgen

Mörje.
Mörje is nüks, mar hü...

Morgen.
Morgen betekent niets, maar vandaag...

Het kan de tijd niet zijn. De tiktak van de klok liet me altijd al koud, het kloppen van mijn hart doet me nergens anders aan denken dan aan het kloppen van mijn hart. Het klopt nog, het werkt nog. Mooi dat ik dat kan zeggen.
Hoe laat het is kan me ook niets schelen. Ik open ‘s morgens met een snauw en een sneer de deur en als ik ‘s avonds de sleutel in het slot omdraai, is de boosheid er nog steeds. Of de lach als ik een goede dag heb. Maar die heb ik niet zo gauw. Meestal ben ik op voor de anderen en ben ik de laatste die de deurklink in de handen heeft.
Ik zie het zonlicht als het buiten helder is en volop zomerlijk, ik zie hoe de grote gele bol lange schaduwen maakt. Maar de zon schijnt nooit naar binnen. Ze houdt niet van mij. Ze kijkt langs me heen naar de grond. Dat maakt niet zo veel uit, ik houd ook niet van haar. Ik zit altijd binnen, kijk uit het raam hoe anderen zich baden in het licht of juist oppassen dat ze niet geraakt worden. Maar ik kijk van een afstand. De zon kan me gestolen worden.
Natuurlijk ben ik ouder geworden, wat zeg ik, ik ben oud geworden. De tijd is omgevlogen en ik heb er niets van gemerkt en normaal gesproken denk ik er helemaal niet aan. Maar vandaag sprong de ouderdom me als een fantoom in het gezicht en bleef daar zitten. Ik zag het, het viel me op en ik bleef eraan denken. Ik had altijd gedacht dat ik me koest moest houden en dat hij dan aan me voorbij zou gaan, dat hij me niet zou zien, net als de zon. Dat hij langs zou lopen en vriendelijk lachen en knikken en niet meer aan me zou denken. Dat moet ik gedacht hebben. Anders kan ik het niet verklaren dat ik er nog nooit over gepiekerd heb. Zou het werkelijk mogelijk zijn dat ik nog nooit over de dood heb nagedacht? Eens zal ik toch ook het loodje leggen.
Vaak genoeg hebben ze iemand weggedragen die jarenlang bij mij in de winkel kwam en steevast de deur uitliep met een pakje tabak of kauwgum. Iemand die hier een paar gulden op de toonbank legde, nauwelijks groette en gewoon weer wegliep. En dan dacht ik er toch ook aan dat het verschrikkelijk was, dat die man vrouw en kinderen had en dat die nu zaten te huilen van de pijn, van verdriet en van ellende.
Maar ik dacht dat het mij nooit zou overkomen. Telkens keek ik snel de andere kant op en dacht: hij rookte veel te zware sigaren of hij sloeg veel te grote hoeveelheden chocola naar binnen. Geen wonder dat hij kanker kreeg of suiker en dat hij de pijp aan Maarten gaf.
Toch leek het alsof vanmorgen overal spiegels stonden. In plaats van geld zag ik een spiegel, in plaats van de oude heer Rothkrans zag ik een spiegel, in plaats van de schoolkinderen zag ik een spiegel en in al die spiegels stond met koeienletters geschreven: oud wijf, oud vuil, oud vlees. En ik zag mijn lang grijs haar dat de laatste tijd steeds dunner werd, dat ik nauwelijks nog borstelen kan voor het slapen gaan en ik zag de diepe rimpels rond mijn ogen, op mijn voorhoofd en mijn wangen en ik zag de dikke wallen onder mijn ogen, de vieze bruine vlekken op mijn handen, die alleen bij oude mensen verschijnen.
Opeens zag ik het en de schrik sloeg me om het hart en ik dacht: die loopt deze keer niet langs, die knikt niet vriendelijk naar binnen en loopt niet door, nee, die komt naar binnen met diezelfde domme grijns op zijn bek, geeft me heel teder een hand en neemt me mee, zonder iets te vragen, zonder iets te zeggen. Want we zijn allemaal op de hoogte, we weten allemaal waar Abraham de mosterd haalt en dan ga ik.
Maar nu ben ik tegendraads, ik ben woedend. Het gif is er en laat me niet los. Het is niet de tijd. De klok tikt helemaal niet meer, dat is zo’n moderne, die oplicht in het donker en die je altijd ziet, zelfs als er mist is. Van dat vieze groene licht dat acht uur als twintig uur weergeeft. Ik kan het niet uitstaan, maar lieve hemel, wat wil je, het is de nieuwe tijd. Zo’n halfgare vertegenwoordiger die me het een of ander probeerde aan te smeren, die kwam ermee aanzetten. Ik heb eerst hard gelachen, voor hoe gek zien ze me aan? En zeker hoor, hij mocht een keer terugkomen en opnieuw proberen me zover te krijgen dat ik zijn zoete spullen aan de kinderen verkoop. Ze vragen er niet om, waarom zou ik het dan aanschaffen? Maar die vertegenwoordiger gaf me in elk geval die klok en ze tikt niet, al loopt ze wel altijd precies.
Natuurlijk weet ik hoe het komt. Ik ben opnieuw een meester, of beter een juffrouw, in het de andere kant op kijken. Maar ik doe zoals altijd wanneer iemand opbelt, dan neem ik op en vraag wat er aan de hand is. Meestal is er niets aan de hand, ze vragen of ik nog kaartjes heb voor de lotto, of ik nog voetbaltickets heb voor komende zondag en of ik even langer open wil blijven, want ze zijn te laat en willen toch nog sigaretten kopen en meer van dat soort zaken. Maar vanmorgen was het iemand van de krant. Een van die jonge snuitertjes, ik hoorde het aan zijn stem. Eentje die pas hier is en nog zoekt naar nieuwtjes, in plaats van af te wachten tot het onder zijn neus ligt. Hij is ook niet van hier uit de buurt. Hij had iets vreemds in zijn stem. De meeste mensen van hier zien me niet eens staan. Ze hebben me nooit gezien, dat maakt niets uit, ik wilde ook niet gezien worden en dan ziet zo’n vlegel je opeens wel. Daar schrok ik van, want dat betekende, precies, als de zwarte komt, de ravenzwarte, die vieze, ongenaakbare, dan ziet hij me ook.

RECENSIE:
Het snoepvrouwtje is eigenares van een buurtwinkeltje aan de markt waar ze snoep, sigaren en kranten verkoopt. Ze krijgt het verzoek van een krant om mee te werken aan een artikel omdat ze al meer dan 50 jaar in de winkel staat. In een soort monoloog vertelt de vrouw over eigenaardigheden van klanten en verwachtingen die niet zijn uitgekomen. Door allerlei teleurstellingen is ze een norse vrouw geworden, die geen blad voor de mond neemt en haar ongenoegen botviert op haar personeel. Ondanks dat haar leven zich voor een groot deel tussen de vier muren van de winkel heeft afgespeeld, is ze zich bewust van allerlei maatschappelijke veranderingen en gebeurtenissen en heeft ze overal een mening over. Uiteindelijk blijkt dit haar laatste dag te zijn. Het verhaal is een soort monoloog waarin een beeld van de na-oorlogse jaren wordt gegeven, toen er vrijwel geen sociale voorzieningen waren. Maar ook de veranderingen in de samenleving op het gebied van geloof en maatschappelijke ontwikkelingen komen aan bod. Kortom, een mooi klein juweel van vertelkunst. Vertaling van de Kerkraadse dialectroman ''t Wiefje': de eerste Nederlandse vertaling van een roman in het Limburgs. - Marian Verstappen-Naus

 
   
 
   
 
   
©2009 Uitgeverij TIC