Home      Niet meer leverbaar      Nonna
 

 

Titel: Nonna
Auteur: Mariet Verbong
ISBN: 90-76043-45-0
Prijs: € 13,60
 

Fragment:
Op het grasveld in de tuin achter het klooster kwam een grote feesttent. Werklui waren na de vroegmis van zeven uur aan de opbouw van het gevaarte begonnen. Het scherpe geluid van metaal op metaal van het buizencomplex vermengde zich met het gezang en getjilp van de vogels. Het tentzeil, wit met blauw, lag nog even als een gestreepte worst in de nok, vleide zich daarna over het stalen geraamte, omvatte tenslotte de zijkanten en liet alleen nog openingen om naar binnen of naar buiten te gaan. Op de grond schoven de mannen grote houten vlonders tegen elkaar en daaroverheen kwamen groene matten. Ze sjouwden met stapels ingeklapte stoelen, planken, schragen, en rollen papier. Behendig toverden ze van al dit primitieve materiaal keurige wit beklede tafels, die door de ingehuurde catering later die morgen werden gedekt met wit hotelporselein, echt bestek en stapels papieren servetten.
In het midden van de tent, die gemakkelijk aan een kleine duizend mensen plaats bood, plaatsten de werklui een meterhoog podium, waarop onder leiding van Hedwige een geïmproviseerd altaar verscheen. Twee zusters drapeerden grote witte doeken, plooiden het overtollige stof, plaatsten kleurige ruikers aan weerszijden naast het altaar en als laatste bracht Hedwige de Paaskaars van dat jaar binnen.
'Het is goed zo,' keurde ze, 'onze gasten kunnen komen.'
Rond elf uur die zondagmorgen in augustus reden de eerste auto's de parkeerplaats van het klooster op. Spoedig moesten de volgende gasten al uitwijken naar de oprit, de straten rondom en nog verder weg naar een parkeerplaats die een vrachtwagenbedrijf welwillend voor deze speciale dag aan het klooster had afgestaan.
Van heinde en verre stroomde het volk toe. Niet alleen waren alle zusters van de congregatie van het zwart habijt wereldwijd uitgenodigd, waaronder alle provinciaaloversten en de generaaloverste, maar ook alle ex-kloosterlingen van de orde, kerkelijke leiders, pastoors, kapelaans, de bisschop, de burgemeester en wethouders, gemeenteraadsleden, bewoners uit het hele dorp, waaronder de buren van het klooster in Steijl.
Kenmerkend voor de visie van de orde van het zwart habijt was dat de hoogwaardigheidsbekleders dezelfde ontvangst te beurt viel als de buurtbewoners uit de straat of de kinderen die met hun ouders meekwamen.
Bij elke ingang stond een van de zustersorganisatoren, om iedereen die naar binnen stapte, een hand te geven, een woord van welkom en een 'dank u wel dat u gekomen bent'. Nog kenmerkender voor de geest van de orde was het dat niemand een gereserveerde plaats kreeg toegewezen. Iedereen was voor de zusters even belangrijk. De volgorde van binnenkomst was plaatsbepalend. Naar eigen keuze konden de gasten aanschuiven in de lange rijen stoelen.
Om twaalf uur precies klonk de bel ten teken dat de Heilige Mis ging beginnen.
Mannelijke acolieten, die ook op zon- en feestdagen in de kloosterkapel assisteerden, liepen achter de moderator aan de tent binnen.
Speciaal voor dit eeuwfeest was er een nieuw lied gecomponeerd op tekst van een bekende schrijver-theoloog. Eén van de acolieten, met een ontroerende basstem, zong dit lied van de orde van de zusters van het zwart habijt. In de tent viel onmiddellijk al het geroezemoes weg, het hinderlijk gekuch, het geschraap van kelen, het geschuifel van schoenen over het groene tapijt. Zelfs de hitte, veroorzaakt door de volle zon op het zeil van de tent was voor even te harden.
De zanger zette heel zacht in, liet dan het warme, diepe geluid aanzwellen, waardoor de tekst nog grootser vormen aannam, dieper ging en hoger reikte. Het koor van de zusters nam daarna het lied over; ze zongen met hun zoveel hogere vrouwenstemmen, waardoor er zonlicht in de woorden schoot. Daarna zong de solist samen met de moderator en de andere acolieten nog één keer het hele lied. De laatste klank stierf weg, een klaterend applaus klonk spontaan op uit de rijen genodigden. De preek van de moderator ging, hoe kon het anders, over de rol van de vrouw in de kerk. Ook die verdiende een applaus.
Na de dienst was er het ontbijt. Zo'n duizend mensen schoven langs de klaarstaande buffetten waar jongeren in wit tenue handig koffie schonken en belegde broodjes uitdeelden. Vlaaien als karrenraderen zo groot stonden op de gedekte tafels. Al die overvloed nodigde gewoon uit tot nog een stuk pruimen-, kersen-, appel- of rijstevlaai. Vrijwilligers uit het dorp liepen rond met dienbladen vol wegwerpbekers gevuld met limonade voor de kleine gasten. De zusters bewogen zich tussen de talrijke bezoekers alsof ze nooit anders gewend waren. Ze onderhielden zich met groot en klein.
Fieke zat aan een van de tentlange tafels. De sfeer in de bomvolle ovenhete ruimte maakte in haar gevoelens los die zijzelf wel het minst verwacht had. Ze waren van een treurigheid en uitzichtloosheid, zo volkomen vreemd aan haar normale aard, dat ze een paniekgevoel van wegwezen, vluchten, uit alle macht probeerde te onderdrukken.
De zusters schenen er geen van allen last van te hebben. Integendeel; ze straalden rust en gezelligheid uit, schudden handen en luisterden naar wat al die bezoekers te vertellen hadden.
Zelf was ze degene die volkomen misplaatst aanwezig was. Een gast die op deze feestelijke dag hier niet hoorde. Ze stond niet aan hun kant omdat ze nooit tot hun kloostergemeenschap was toegetreden. Ze stond ook niet aan de kant van de bezoekers, omdat ze wist hoe velen van hen achter de ruggen van de kloosterlingen over deze vrouwen dachten. Nonnen, niets, geen vrouw, onzijdig wezen. Kwezels, daar veranderden ook de burgerkleren niets aan. 'Ze hebben niets geleden,' knipoogden de mannen..'
Waren de zusters zelf op de hoogte van wat het dorp dacht? Hielden ze er rekening mee? Of waren ze zo onthecht dat ze ook daar boven stonden?
Hedwige kwam door het middenpad Fiekes kant uit. Naast haar liep een jongeman.
'Dit is Louis,' zei ze de jongen aan haar voorstellend, 'hij komt helemaal uit Rotterdam.'
De jongen had een prettig, open gezicht. Ze schatte hem niet ouder dan dertig. Hij leek oprecht blij om samen met de schommelende Hedwige door de tent te trekken.
Fiekes stemming werd er niet beter op.
Ook miste ze een jonge generatie zusters. Even later ontdekte ze er toch twee. In habijt zelfs. Fieke kende ze wel. Ze waren afkomstig van Java. Ze herinnerde zich nu weer dat de vrouwen aan de universiteit van Rotterdam studeerden en op werkdagen in jeans en slobbertrui liepen. Met hun donkere huid, hun glimlach, het voorzichtige lopen, leken ze echter meer op acteurs in een oosters spel. Ze vond ook dat zij hier niet hoorden.
Ze stond op, haalde nog een kop koffie, liep daarmee naar een van de vele uitgangen en keek uit over de tuin vol zon en diepe schaduw. Het kwam haar voor dat dit honderdjarig bestaansfeest in een afscheidsdienst was omgeslagen.
Aan het eind van de dag zouden de plakkerige bekers, de tot proppen geknede servetten, het gescheurde vuile tafelpapier en de onhandige wegwerplepeltjes in een container achter de tent verdwijnen. Het zonlicht bestreek dan alleen nog de toppen van de hoogste naaldbomen op het kerkhof achterin en Hedwige, de rommel overziend zou tevreden maar hondsmoe teruggaan naar haar kamertje in het klooster. Drie dagen zou het duren voor ze weer een beetje mens was.
Weer terug in de hitte binnen kwam een onbekende vrouw met uitgestoken hand naar Fieke toe.
'Dag, je herkent me natuurlijk niet meer. Ik ben Paula, maar toen heette ik Clementine, zuster Clementine. Dit is mijn dochter en dit mijn man.'
Ze schoof een roodharig kind naar voren dat haar verlegen aankeek. 'Ze is tien. Geef eens netjes een hand,' zei Clementine.
Het meisje stak gehoorzaam haar hand uit. Fieke was volkomen overdonderd. Hier stond een vrouw die ze alleen in habijt gekend had en tegen wie ze flink onaardig was geweest. Ze bloosde tot ver in haar hals, maar Clementine scheen daar geen last van te hebben. Integendeel. Ze ging vrolijk verder door haar man voor haar dochter te schuiven. Hij stak gelukkig zelf zijn hand uit. Het leek Fieke een man van heel ver hier vandaan, uit een of andere polder en ongetwijfeld verschrikkelijk handig met tractors en paarden.
'Had je niet gedacht mij hier aan te treffen,' ging Clementine vrolijk verder, 'maar wij zijn hier altijd welkom gebleven.'
Sprakeloos keek Fieke naar de voor haar volkomen vreemde vrouw die in burger zoveel onbeduidender op haar overkwam dan toen ze in vol ornaat door de gangen marcheerde. Gelukkig voor Fieke ontdekte Clementine een andere oudbekende en met de twee schatten in haar kielzog schoot ze daar nu op af, Fieke ontsteld achterlatend.
Ze probeerde tussen al dat volk Hedwige te ontdekken om haar te vertellen dat ze liever naar huis ging. Het was niet alleen de ondraaglijke hitte die haar wegdreef van dit feest dat geen feest was. Ze zag Hedwige zo gauw niet. Ze besloot naar huis te gaan. Ze zou haar later proberen uit te leggen wat haar bezield had.

 
   
 
   
 
   
©2009 Uitgeverij TIC