Home      Niet meer leverbaar      Letterbak
 

 

Titel: Letterbak: moeles van de sjalevaeger
Auteur: Wim Kuipers
ISBN: 90-76043-16-7
Prijs: € 12,50
 

Fragment:

Helder water uit een oude bron
Mooie woorden. Karakteristiek Limburgs. Ik heb er heel wat bladzijden aan gewijd. Over gepraat. Gedroomd. Maar wat doen we ermee? Opslaan in een woordenboek, in plaatselijke blaadjes (heel verdienstelijk overigens), een halve generatie nog over vertellen (det zag moder dökker) en dat was het dan?
Ik was nog geen jaar bezig met schrijven in mijn (moeder)taal of ik besefte dat er slechts één mogelijkheid zou zijn het Limburgs te laten overleven. En dat was en is: het maken van een eenheidstaal waar jaar na prachtig jaar honderden boeken, verhalen, beschouwingen en toneelstukken in verschijnen. Dan kan het Limburgs eerst een echte taal worden. En: zich ontwikkelen. Hierover gaat dit deel.
Over HET Limburgs dus. Ik heb die aanduiding al vaker gebruikt, hoewel ik geregeld te horen krijg: er bestaat toch geen Limburgs?
Bedoeld wordt: er is geen geaccepteerde eenheidstaal, met een eenduidige spelling, met een grammatica en één woordenboek.
Nee, maar dat betekent nog niet dat de mensen hier Fins spreken of Fries, pleeg ik dan te zeggen.
Ze spreken Limburgs. Een miljoen mensen (inclusief Vlaams Limburg), die elkaar ondanks onderlinge verschillen uitstekend kunnen verstaan. Een buitenstaander heeft daar aanzienlijk meer moeite mee. Want wat in het Limburgse gesproken wordt verschilt zoveel van de tweede taal die ze kennen, het Nederlands, dat je van een eigen taal mag spreken. Taalkundig gezien wijkt het Limburgs meer af van het Nederlands dan het Fries.
Ik kan daar niet dieper op ingaan, maar wijs even op kenmerken als de meervoudsvorming. Hier heeft het Limburgs wel tien verschillende manieren voor, tegenover het Nederlands eigenlijk maar twee. Ook de vervoeging van werkwoorden is specifiek, met de klinkerverandering in het enkelvoud (ich loup - doe löps). Die verandering heb je ook bij verkleinwoorden (bank - benkske). Het bijvoeglijk naamwoord kent heel aparte wetten. Voeg daarbij de schatkist vol woorden die het Limburgs gemeen heeft met het Rijnlands, de uit het Waals of Frans overgenomen woorden die het Nederlands niet heeft, en het is al duidelijker waarom dat Limburgs een eigen taal mag heten. Er komen nog bij de tientallen Middelnederlandse woorden die het Limburgs bewaard heeft. Bijvoorbeeld allewiel: tegenwoordig, nu. Middelnederlands was alwile. We hebben dat woord niet alleen bewaard, het maakte kennelijk zoveel indruk dat het een uitroep van verbazing werd: allewieles, iets als: och heden. Een verwant woord dat ik nog geregeld gebruik is óngerwiel of ook óngerwieles (woordenboek Echt). Dat betekent intussen: "(...) óngerwiel zoot zie bakge te sjnieje." Een tafereel dat mij zo prachtig verteld is dat ik het nog immer voor me zie. Een boerenkeuken in de buurt van Budel wo me zich mit paerd en ker kint drejje. Grootmoeder zit wijdbeens op een stoel en krijgt big na big aangereikt, om de diertjes van hun ballen te ontdoen. Maar daar hadden we het niet over. Ik wijs er even op dat we sterk zijn in het vertellen van verhalen, elkaar overtroeven met schilderachtige woorden, maar bijwoorden, voegwoorden, daar hebben de mensen zich hier weinig van aangetrokken (vind ik). En toch zijn die karakteristiek voor een taal.
Sterker nog: dan pas is het Limburgs een alike taal, mit eine eige gas van die nietig lijkende woorden.
Alik zei ik. Dat Middelnederlandse woord is vooral in Midden-Limburg bekend: geheel, volledig, volkomen, zegt het woordenboek. Hae dansde einen alike middig, en oot doe ein alike flaaj op.
Het woord heeft in het Limburgs een tweede betekenis gekregen: niet kapot of onbeschadigd: dao bleef gein roet alik, en: waat ein aerpel in die zök, pak dich ei paar alike.
Aerpel: grote gaten in een sok, vooral aan de hiel. Daar zag je het witte vlees door en dat leek op een aardappel. Ik bedoel maar: Limburgs is heel anders is en bovendien anders dan Zeeuws of Gronings.

Wim Kuipers

 
   
 
   
 
   
©2009 Uitgeverij TIC