Home      Niet meer leverbaar      Drie dagen uit de dood van oom Jacob
 

 

Titel: Drie dagen uit de dood van oom Jacob
Auteur: Cor de Hoon
ISBN: 90-76043-59-0
Prijs € 14,90
 

Fragment:

Drie dagen uit de dood van oom Jacob

Oom Jacob was dood.
Hij stierf in een bitter koude januarinacht in Huize Avondrust.
Zijn nicht Ellen had hem naar Huize Avondrust gebracht. Zij had de kamer ingericht, porselein in het kleine kastje, kleren en boeken in de kleerkast, de leunstoel bij het raam. ‘U zult hier snel gewend zijn,’ had ze gezegd. ‘Het is net een hotel. U hoeft hier niet meer te poetsen, geen eten te koken, geen bed op te maken.’ Daarna was ze weggegaan en oom Jacob bleef alleen achter.

Hij rook onbekende geuren, hoorde vreemde, schuifelende voetstappen op de gang, zelfs zijn eigen meubels waren hem vreemd. Het was allemaal zo snel gegaan. Hij was erg gesteld op zijn nicht. Achteraf had ze natuurlijk gelijk. Maar op dat moment voelde hij zich verraden.
Hij had de stille hoop gehad dat ze hem bij haar in huis zou nemen. Hij was er van overtuigd dat Paul, haar man, er wel tegen was geweest.
Ellen kwam geregeld op bezoek. Paul ging zelden mee. De eerste keer dat ze samen kwamen was Jacob in slaap gesukkeld. Geen diepe slaap, meer zo’n hazenslaapje waarin de geluiden van buiten nog doordringen, maar je er niet meer op reageert. Ze moesten al een paar minuten in de kamer gestaan hebben voor hij zich er van bewust werd. Toen Paul zei: ‘Leeft hij nog wel?’ werd hij pas echt goed wakker. Om Ellen niet in verlegenheid te brengen, schraapte hij zijn keel voordat hij zijn ogen open deed. Hij dacht dat Paul hem beschouwde als een soort mummie. Historisch interessant, maar niet interessant genoeg om in huis te hebben.

Zijn verblijf in Huize Avondrust begon ongelukkig. De eerste nacht al werd hij ziek. Waarschijnlijk kwam het door de vreemde omgeving. Hij droomde van zijn oude huis en de val die hij een keer maakte. Het was dom geweest tegen Ellen te zeggen dat hij van de trap gevallen was. Misschien vertelde hij het in de hoop dat ze wat langer zou blijven. Het was tamelijk eenzaam in het oude huis. Ellens bezoek was de enige afleiding die hij had. Die val stelde niks voor, wat schaafwondjes en een pijnlijke enkel. Als ze een week later gekomen was had hij het hele voorval waarschijnlijk vergeten. ‘U had dood kunnen zijn. Het is onverantwoordelijk. U kunt hier niet alleen blijven zitten. Als u een been gebroken had, had u misschien een week onder aan de trap gelegen. Het kan zo niet langer. Ik maak er direct werk van.’
En zo draafde ze maar door.
Toen hij in het voorjaar naar het land ging en de eerste schop in de grond stak wist hij dat ze gelijk had. Het ging niet meer. Oude bomen verplanten doe je niet straffeloos.
Kort daarna lag hij in zijn nieuwe ijzeren bed in het tehuis en had het gevoel dat hij van binnenuit opbrandde. Zijn hoofd was als een glazen speelgoedbol. Telkens als hij even tot rust kwam draaide iemand de bol om en warrelden zijn gedachten door elkaar als de vlokken van een opstekende sneeuwbui. Hij hoorde zichzelf onverstaanbare woorden mompelen. Onsamenhangende beelden van mensen en ruimten verschenen en verdwenen. Hij liep rond in het oude huis, het was leeg, de planken kraakten onder zijn voeten, de kamers waren anders ingedeeld. Hij raakte de weg kwijt en wist niet hoe hij buiten moest komen. Alle deuren kwamen in dezelfde kamer uit. Zijn collega op het seinhuis moest afgelost worden. Luidkeels riep hij: ‘Lea, Lea, ben je thuis?’
Er kwam geen antwoord. Eindelijk vond hij een deur die hij tot dan toe over het hoofd gezien had. Vreemd genoeg stapte hij door die deur het seinhuis van Post T. binnen. De omgeving was totaal veranderd. Om hem heen lag een immense stad met koepels en kerktorens, parken en pleinen en eindeloze straten en stegen. Een trein rolde binnen en kwam tot stilstand. Iemand kwam de ijzeren trap van het seinhuis op. De scherpe, metalen klank bonkte in zijn hoofd. De meester van loc 6306 rukte de deur open en riep: ‘de tuinman heeft de worm vertrapt’ en verdween haastig.
Jacob schrok van deze opmerking en haalde een handel over. Een venster op het blok werd rood, er viel een diepe duisternis over de hele omgeving.
Van tijd tot tijd werd hij wakker. Zuster Domitilla zat naast zijn bed. Bij het licht van een lamp, die aan de kant van het bed afgeschermd was met een stuk groen papier, zat ze te lezen. Ze hield hem een glas water voor dat hij in een paar teugen opdronk. Het water verdampte zo snel in de hitte dat de lakens er nat van werden.
Er was geen verschil meer tussen dag en nacht, tussen slapen en waken, tussen droom en werkelijkheid. Zuster Domitilla zat onverstoorbaar te lezen in haar boek. Er kwamen mensen de kamer binnen en verdwenen weer. Ellen stond aan het voeteneind van het bed. ‘En oom Jacob, al een beetje gewend?’
Hij mompelde een antwoord maar verstond zelf niet wat hij zei.
‘Dat dacht ik wel.’ Ze lachte hem vriendelijk toe.
In de schaduw van de kleerkast dacht hij Lea te zien. Het verbaasde hem want ze was al lang dood.
Toen was hij weer in zijn oude huis. De kamer waarin hij stond was rond en had een grote, ronde koepel. Aan de overkant stond een jonge vrouw. Hij herkende haar meteen. Ze boog zich naar de wand toe en fluisterde: ‘Jacob, I love you.’ Het geluid rolde langs de wand en hij kon duidelijk verstaan wat ze zei. Ze lachte zo aanstekelijk dat hij mee lachte.
Zuster Domitilla veegde zijn voorhoofd af en liet hem drinken. In zijn leunstoel bij het raam zat een man die hij niet kende. Hij had mooi grijs haar en was in stemmig grijs gekleed. Hij had een beminnelijk gezicht. Alleen zijn ogen bevielen Jacob niet. Ze hadden iets meedogenloos. Het leek hem het beste om net te doen of hij hem niet had gezien. Hij viel in slaap en zag angstwekkende visioenen, fantastische landschappen en grillige, felgekleurde vormen.

 
   
 
   
 
   
©2009 Uitgeverij TIC